Dichter bij de kano – Hans Warren


EEN MOOIE KANOËRTACO

Bij een kanoër kom ik nooit op het woord ‘mooi’. Sportief, ja zeker, en ruig, ook dat wel. Als kanoërs het over mooi hebben gaat het over hun boot, waar ze, zoals alle liefhebbers, eindeloos over kunnen praten. Of over de omringende natuur want daar valt ook veel te genieten. Echte peddelaars zijn eerder lelijk. Hun kanokleren zijn aftands, hun boten hebben butsen en zelf hebben ze getaande koppen, te veel baard en vreemde mutsen op. Het zijn bijna allemaal mannen van (meer dan) middelbare leeftijd die in de boot gaan. En bij die categorie heeft schoonheid niet veel te zoeken. Vrouwen met modelachtige outlook tref je zelden in onze kringen. Doutzen Kroes in een kano is een vlag op een modderschuit.

De dichter Hans Warren (1921 – 2001) ziet het duidelijk anders. Jonge jongens vormen zijn hobby en hij kijkt naar ze uit. Dan valt overal veel te zien. Wie zoekt die vindt. Hij beschrijft Taco in zijn kano met termen die wij kennen van reclame voor knäckebröt (‘goudbruin’). Hoe je helemaal goudgeel overkroesd kan zijn is me niet duidelijk. Warren wordt er toch enthousiast van. Vrij snel op dit terrein trouwens. Ook over Sylvaan, Sebastiaan, Gerard, Peter en Dionys raakt hij niet uitgedicht in deze serie. Net als bij Gerard Reve zijn de zweep en de slaaf niet ver. Maakt Taco een gebaar naar een kanocompagnon? Of werpt hij een bevelende blik naar de maar al te graag kijkende dichter? Al te veel rukken in een kano lijkt niet verstandig met het oog op het evenwicht. Dit homo-erotisch getinte doet de vraag opkomen: komen kanoers eigenlijk uit de kast. Geen issue lijkt mij. Kanoërs in vormeloze kledij zitten verscholen in hun plastiek cocon. Ze zijn sexloos. En zij willen dat blijven.

Soms zit ik op een bankje aan het water van de Kerk Ae bij Zuiderwoude in Waterland. Schoolklassen varen aan in gehuurde kano’s. Ze willen één ding absoluut niet: serieus kayakken. Wat ze wel willen: klooien, spatten, dollen, uitdagen. De zon schijnt, de wind is weinig, de kleding ook en ze zijn zestien. Als je met de dichter meekijkt is er veel te zien: een kanojongen/meisje. Volmaakt op zijn/haar zestiende, goudbruin en helemaal goudgeel overkroesd… Het zit daar kortom goed aan het water. De dichter heeft gelijk. Alleen: zijn kanojongen moet niet echt kanoën. Als hij dat doet heb je, voordat je het weet, weer zo’n getaande man in een bevlekte fleecetrui met grijs baardje en een ouwe North Shore. Zoals ik.

Rieks Hoogenkamp

De Roos van Culemborg ziet overal poëzie.  Zorgeloos maken we plannen en met fantasierijke hulp van partners wordt er iedere maand een mooi programma geprogrammeerd. Nieuwsgierig? Klik hier.

Roos logo

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.