Dichter bij de kano – H.P. de Boer



De Kanovaarster

Het is nu stiller al,

de middag gloeit wat na

en Leonore hoort haar eigen adem

dalen en weer rijzen

terwijl ook de peddelbladen

rijzen en weer dalen

terwijl de ranke blanke kano

tussen rieten oeverwuivingen vandaan

glijdt naar de open plas.

Het wijde water weifelt

tussen zwart en zilver, groen en goud,

maar laat geen twijfel aan haar taak:

het draagt de kano.

Nu, op het midden van de plas,

in eindeloze stilte,

trekt zij haar peddel binnenboord,

zij maakt haar lokken los

doet haar blauwe hemdje uit.

Zij vlijt zich achterover,

haar blote armen in het water,

Leonore,

zo wil zij blijven,

eeuwig in de late middagzon,

tot aan het einde

van de tijd.

 H. P. de Boer

 

De redacteur wijst op de sluitingsdatum en – zo zegt hij – ‘omdat er veel KNTB-ers zijn die je rubriek waarderen, kan je voor het weekend nog wat opsturen’. Natuurlijk krijgen alle achterstallige schrijvers dit te horen maar het klinkt toch prettig. Stroop vangt meer klandizie dan azijn. Is het waar wat hij zegt? Het beeld van de gemiddelde kanoër in mijn columns is niet zo mooi: de peddelaar, meestal depressief van aard, leeft in het verleden, veelal seksueel gestoord, en komt zonder been terug uit Amerika. Geen aantrekkelijke persoonlijkheid om je mee te identificeren. Of is die zwartgalligheid mijn probleem? En sla ik bewust de gedichten over waarin de peddelende medemens een ongecompliceerde levensgenieter is in een warme kring van fijne vrienden? Daar houdt de lezer van. Ik beter mijn leven en ga op zoek naar poëzie waar de watersporter in zijn slanke kano alleen maar mooie dingen beleeft. Lezers gaan dan meer van mij houden. Zij willen niet als potentiële psychopaten aangesproken worden.

En daar is Leonore. Een goedgemutst gedicht over een kanovaarster die geniet van de zon. Op het begeleidende plaatje van Roos Wiggers bakt ze – met gelukkig nog een soort artdeco bikini aan na haar blauwe hemdje uitgetrokken te hebben – het bruin. In het eerste vers is het pais en vree. Origineel is het niet: ranke blanke kano, open plas. Maar de conclusie is zinvol: water draagt de kano voor wie het nog niet weet. In het tweede vers begint het grote genieten. En welke kanovaarder kent dat niet: de watervrede trekt binnen, er is geen eind aan ons geluk. Kortom: het ideale kanogedicht. Gezelligheid en zon troef, onze sport als voorbode van volmaakt geluk. Dan sist een adder in het waterparadijs: Heb jij dat wel eens geprobeerd? Je peddel binnenboord trekken en je achterover vlijen? Met een vrouwgat van 50/60 cm? Dat kan niet, dan ga je absoluut om. Een kanoër kan niet recreëren op het water, hij moet altijd voort. Hij is de Vliegende Hollander van de vierkante meter. Altijd varen. Rust is er hoogstens na een ingewikkelde peddelbrug met een collega. En die wil je juist kwijt. Hemdloos uitstrekken gaat niet. De kanoër is de Calvinist onder de watersporter: alleen werken brengt geluk, slechts arbeid houd ons overeind. Sloep, zeiler, surfer, zij hebben allen hulpmiddelen zodat ze niets hoeven te doen. Luiaards zijn het, blijf gewoon thuis. Zelfs de Klepper met een zeiltje heeft iets decadents. Lach ze uit. Wij werken in het zweet ons aanschijns en noemen het sportief genot.

Op het plaatje naast het gedicht is de kano een soort roeiboot waar mevrouw Leonore zich werelds luxueus uitstrekt. Er is maar één conclusie mogelijk: de dichter mag verstand hebben van vrouwen, van kano’s heeft hij het niet. Herman Pieter de Boer (1928 – 2014), journalist, liedjesschrijver, dichter en romanschrijver is een alleskunner. Hij leverde hits af als ‘Laat me’ (Ramses Shaffy), ‘Visite’ (Lenny Kuhr) en ‘Annabel’ (Hans de Booij). ‘Het Nederlands Gebarenboekje’ is een klassieker met mooie tekeningen van Pat Andrea en zo is er nog meer goeds over hem te vertellen: een groot innemer, roker en pillenslikker. Zijn liefdesleven is met ‘stormachtig’ voorzichtig omschreven. Wie herinnert zich niet uit Kinderen voor Kinderen ‘Ik heb zo waanzinnig gedroomd’ of ‘Op een onbewoond eiland’? Hem wordt verder alles vergeven. Veel Leonore ’s kent hij maar het knoestige kanovak niet. Liefde overwint weliswaar alles, maar zonnebaden in een ranke kano gaat nooit lukken. Rust is voor de kant, water is om te werken.

De Roos van Culemborg ziet overal poëzie.  Zorgeloos maken we plannen en met fantasierijke hulp van partners wordt er iedere maand een mooi programma geprogrammeerd. Nieuwsgierig? Klik hier.

Roos logo