Dichter bij de kano – Elly de Waard


VERBEELDING

Kanoërs zijn nuchtere mensen. Zeker vlakwaterlui. In de toeristische beschrijvingen van Kanotities wordt dat duidelijk. De informatieve waarde van de tochtverslagen– de stuw is eenvoudig te nemen, halverwege smaakte de koffie prima, aan het eind viel het bier er weer prima in, enz. –, is groot. Opwindende hartstochtelijke lectuur zal niemand het noemen.

De zon was van vurig goud, ik voelde mij opgenomen in het grote heelal. Zoiets lees je nooit. Het schitterende landschap liet mij ontvlammen in een vurige liefde voor het universum. Ik wilde Betty, met wie ik deze tocht maakte, omarmen en vurig kussen. Ondenkbaar. Bovendien: niet handig als Betty in een andere kano zit. Ook in een tweevaarder moet je er niet aan beginnen. Niemand schrijft dat soort dingen. Is de gemiddelde kanovaarder verbeelding- en lustloos? Het hoeft voor ons niet. Wij willen alles weten over aanrijroutes, parkeerplaatsen en consumptiemogelijkheden. Vurige en/of zompige teksten zijn aan ons niet besteed. Van verbeelding hebben we geen last. Zijn wildwaterkanoërs anders? Ik doe er niet aan. Maar hun sport heeft wel heroïsche kanten. Je valt met je kop op een rots, je verdrinkt voor je het weet. Het is als skiën buiten de piste. Met de dood in het spel is leven avontuurlijker: kanolatijn neemt toe. Zelf kan ik lyrisch worden over een zomeravond varen op de Lek. Thuis komt er niet veel meer uit dan: ‘Het was wel aardig vanavond’. We zijn stille genieters. 

Gelukkig zijn daar de dichters. Neem Elly de Waard (1940). Samen met de dichter Chris van Geel woonde ze aan het Zwanewater in de duinen van Castricum. Ze doet mooie dingen met woorden, daartoe aangezet door de natuur. Verder is de liefde, in de inter-vrouwelijke vorm, haar hobby. Verbeeldingskracht, natuurliefde en vrouwenliefde en de trouwe kano. Het gedicht begint met een stroom met verval. Er zijn rotsen en het geluid van het water is als van onderdrukte duiven koerend om hun genot. Orgiastische geluiden kortom: wild stromend water dus. Daarop ‘ze’: gezien hun nader omschreven attributen vrouwen. Achter elkaar: de een na de ander. Ze doen wonderlijke dingen want ze zwaaien met roeispanen. Wat krijgen we nu? In een bergbeek wuiven en met roeispanen? Wij doen het met peddels. Wel eens met een roeispaan gewildwatervaard? Zwaaien doe je helemaal niet. Dan ga je zeker om. En ook nog: die vrouwen zitten halfnaakt in die kano. Dat lijkt me niet verstandig. Die lui hebben altijd valhelmen en waterafstotende kleding.

We hebben het nuchtere land van de realiteit verlaten en zijn aangekomen de verhitte verbeelding van de dichteres. Ze weet niks van kanoën maar het is wel opwindend. Dan horen we hoe het zover gekomen is. Ze denkt aan schepen met ontblote vrouwenfiguren aan de voorplecht. Die boegbeelden willen ook wel een keer los gaan. De kano is daarvoor prima geschikt, denkt ze. Daar gaan ze, die vrouwen, de een na de ander op de wilde stroom. De duiven beperken zich niet tot copuleren, ze vechten nu ook. Reuring genoeg. De dichteres is dolenthousiast over haar eigen verbeeldingskracht. Haar gedachten en sappen worden gestimuleerd door de verbeelding.  Zo is het gegaan natuurlijk. Ze heeft een mooie vrouw (in een kano?) gezien. De verbeelding gaat aan het werk. Dan krijg je dit. Wij, eenvoudige TKBN-ers komen daar niet op. Wij worden wild van waterstuwen, koffietenten en aanlegsteigers.

De Roos van Culemborg ziet overal poëzie.  Zorgeloos maken we plannen en met fantasierijke hulp van partners wordt er iedere maand een mooi programma geprogrammeerd. Nieuwsgierig? Klik hier.