Dichter bij de kano – Arthur van Schendel



HET WATER DEED HEM GOED

‘Er zijn kanoërs verdronken in de Rijn’. Mijn vrouw kwam er mee aan. Hoorde ik een polemische bijklank? We voeren discussies over varen zonder passende kledij of zwemvesten. Soms droom ik van gevaarlijke tochten over de Waal. Een kostwinner hoort dat niet te doen. Ongelukken met dodelijke afloop zijn dan een stevig argument. Later werden het roeiers op de ‘Nederrijn’ (het nieuws weet nog hoe een rivier echt heet). Verdrinkende roeiers zijn natuurlijk even erg als omkomende kanoërs maar het bizarre ongeluk kwam toch meer op afstand. Het koppel ‘kanoër en dood’ blijft voor mij actueel. Geen watersporter is dichter bij de oervloed. Een paar millimeter kevlar scheidt hem van het grote verzinken. Wat drijft je naar zo’n vliesdunne onzekerheid? Waarom deze drastische aanpak? Is het misschien het verlangen voorgoed onder water te gaan? Vooral de ouder wordende kanovaarder weet van filosoferen op het scherp van de snede. Hij vaart op zijn thuisrivier, de zon schijnt, de tocht is op zijn mooist. Is dit niet een geschikt moment voor een klein ongeluk dat niemand helemaal zal begrijpen maar alles oplost? Met als klein stukje in de krant ‘Bejaarde kanovaarder verdronken’? Niemand die het zeker weet: het kan van alles wezen. Iedere oudere heeft tenslotte 100 organen die het kunnen begeven. Het is nog een wonder dat je vaart. Er is natuurlijk verdriet maar opa was toch ook zonderling. Wat weten de achterblijvers van het verlangen tot hellen en dan niet ophouden maar doorgaan tot het laatste rukje? De grote waterbeer wacht. Het water voelt goed aan. Even gebeurt er van alles maar dan is het stil. Ik drijf de Lek af en wordt gevonden onder Ameide of Nieuwpoort. Een mooier einde. Heeft elke kanotocht geen licht suïcidale ondertoon? Proefvaart voor de eigen dood. Jeroen Brouwers schreef het encyclopedische boek De Gesloten Deur over zelfmoordenaars in de literatuur. Schuilt er in elke kanovaarder de verborgen hartstocht om door de (kevlar)grens te gaan zodat er geen scheiding meer is tussen hemzelf en zijn geliefde element? Andere sporters hebben dat ook. Hoeveel snowboarders buiten de piste zoeken naast vermaak hun eigen ondergang? Welke bergbeklimmer denkt niet over de val van een paar honderd meter die alles oplost? De kanovaarder is te dicht bij de natuur. Dat voedt permanent de behoefte aan mystieke eenheid. Hij vaart de weg naar zijn einde. Bij mij komt het er nog niet van. Ik vaar op de Lek. Weliswaar zie ik mijzelf regelmatig afdrijven naar het westen. De kans dat je bij Botlek opgedregd weerhoudt me. Die naam alleen al. Maar ik begrijp de Waterman. De Lek is ook zijn rivier, zijn biotoop. Hij is een oer-Hollands karakter, ontsproten aan volk en landschap hier. Tussen graniet en zachtheid dankzij de verbeeldingskracht van de schrijver Arthur van Schendel. Het einde van de held is dubbelzinnig. Natuurlijk, hij redt zijn hond, maar doet hij werkelijk alle moeite om weer aan boord te komen? ‘Het water deed hem goed’ staat er in de laatste zinnen van het boek. Waarom zou hij weer aan boord klimmen? Zoals de oude Eskimo nog één keer op jacht gaat naar de waterbeer. Om zijn poten te zoeken en zich daartussen neer te vleien. Zie de eenzame kanoër in de avondzon op de Lek. Het is daar soms bijna te mooi om naar huis terug te keren.

De Roos van Culemborg ziet overal poëzie.  Zorgeloos maken we plannen en met fantasierijke hulp van partners wordt er iedere maand een mooi programma geprogrammeerd. Nieuwsgierig? Klik hier.